De laatste bomen op de Aalsterweg

 

Mijn vader was een aimabele, rustige, weldenkende en lieve man. Altijd aan het blauwhelmen voor de goede vrede. Toch sloeg hij ooit letterlijk zijn bed in tweeën en werd hij verbaal agressief als een bepaalde naam viel. Mijn vader is een Indië-veteraan. Hij werd in 1948 weggerukt uit een vredig Brabants bestaan en een scheepsreis en zes weken later gedropt in de jungle. Hospik was hij. Oftewel ziekenbroeder. Hij moet daar de meest gruwelijke zaken gezien hebben. Nooit vertelde hij erover. Toen de mannen uit Indië terugkwamen kregen ze een vetleren medaille, een oorkonde en de jaren erna bleek dat ze deel uit hadden gemaakt van een zogenaamd ‘foute oorlog.’ Het welbekende trauma van de Amerikaan die in Vietnam gediend had, maar dan zonder enige hulp.

Mijn vader had misschien wel wat ze nu een posttraumatische stress-stoornis noemen. Het knappe en bewonderenswaardige is dat hij dat zelf oploste. Door er niet over te praten, door het weg te stoppen. Maar wij wisten het uiteraard wel. Ik probeerde af en toe met hem erover te praten. Er kwam niet veel los. Hij ging ook niet naar reünies. Toch was hij gek op Indonesië. Over dat land kon hij euforisch raken. Over de mensen die hij bevochten had en die hij door zijn specifieke beroep gehaat moet hebben, geen woord.

Gisteren zag ik een documentaire over dit onderwerp. Het kwam weer naar boven. Mijn worsteling. Ik ben voor zelfbeschikkingsrecht en het is logisch dat een volk vecht voor eigen recht. Maar die jongens die daar vochten ‘voor de goede zaak’ deden dat onwetend van internationale rechten. Zij werden weggerukt uit een, naar huidige begrippen, informatieloze samenleving. Zij moesten. Zij waren zelfs trots dat ze voor onze vrijheid streden. Zij maakten van alles mee wat jongens van rond de twintig niet mee moeten maken. Zij werden vaak getraumatiseerd. En de generaties na hen kregen daar een tik van mee.

Ik ben trots op mijn vader. Hij heeft leren leven met een trauma en was een topvader voor mij, zijn zoon. Ik woon vlakbij de Aalsterweg en ik word nog dagelijks geconfronteerd met zijn dramatische maar oprecht mooie woorden: ‘ik kreeg een brok in mijn keel toen ik vanuit de legertruck de laatste bomen op de Aalsterweg zag, ik nam daar afscheid van een onbezorgde tijd.’